Mooie, epische spektakelfilm gesitueerd in de Romeinse tijd, zoals ze die wel meer maakten in de jaren ’50. Eind jaren ’40 liep het bioscoop drastisch terug en met de komst van de televisie, leek Hollywood zijn machtspositie op het gebied van vermaak kwijt te raken. Om de mensen weer terug in de bioscoop te krijgen, pakten ze in de jaren ’50 groots uit met diverse peperdure producties. Quo Vadis is één van de voorlopers uit dat genre. Met een budget van 7,5 miljoen dollar was de film één van de duurste producties ooit. De cijfers liegen er niet om: 110 sprekende rollen, meer dan 30.000 figuranten, en 32.000 kostuums. Meer dan drie jaar werd er aan Quo Vadis gewerkt. Maar dit was het ook wel waard, want Quo Vadis ziet er prachtig uit en was een grote inspiratiebron voor films als The Ten Commandments, Ben-Hur, Spartacus en Cleopatra.
Visueel gezien is er dus niets mis met deze film, maar net als de hiervoor genoemde voorbeelden, leidt ook Quo Vadis aan de gebruikelijke minpunten. Met een speelduur van bijna 3 uur is de film wat aan de lange kant, en met name de eerste helft van de film heeft een erg laag tempo. Het verhaal is helaas te zwak om bijna 3 uur te boeien, maar gelukkig redden de grootse scènes de film.
Hoofdrolspelers Robert Taylor en Deborah Kerr zijn wat kleurloos en worden volledig weggespeeld door met name Peter Ustinov als de maffe keizer Nero (hij kreeg hiervoor terecht een Oscar-nominatie). Andere opvallende bijrollen zijn die van Patricia Laffan als de slinkse Poppaea, Leo Genn als Patronius (werd eveneens genomineerd voor een oscar) en de bijna 2 meter grote kolos Buddy Baer (jongere broer van voormalig bokskampioen Max Baer) als de bodyguard van Lygia. Met name het stierengevecht in de Arena is prachtig om te zien.
Quo Vadis is zeker niet perfect, maar wel een prachtige film om te zien.